Partir c'est mourir un peu

Maandag had ik dus nog een hele dag in Parijs, omdat Robert mijn vlucht had omgeboekt naar 's avonds acht uur. Hij zelf zou 's morgens een lecture geven dus had ik met Fernando afgesproken om om tien uur op hun kamer mijn valiezen te zetten en dan samen te gaan ontbijten, om vervolgens naar De Boom te gaan op het Île de la Cité, en verder maar een beetje kijken wat de dag ons zou brengen. Verrassing toen bleek dat Robert zijn lecture had afgezegd en dus gezellig met ons de dag kon doorbrengen. Deze keer ontbeten we wel in het hotel, er was namelijk geen rij.

Aan De Boom oftewel mon arbre zit een klein verhaal vast welke ik al lang geleden in een blog heb verteld. Ik dacht er dit tripje wel aan, maar meende er geen tijd voor te hebben, maar nu er zomaar een extra dag aan was toegevoegd heb ik het verhaal verteld aan Robbie en Fernando en er was geen twijfel mogelijk, we gingen naar het Île de la Cité. Met de metro naar het dichts bijzijnde station gegaan, en ik maakte dezelfde fout als in 1998, we gingen naar de verkeerde kant van het eiland. We concludeerden dat het hele gebiedje zoals ik het kende niet meer bestond. Maar ik was niet overtuigd, het blogje van lang geleden erbij gepakt en Robert vermoedde dat het dan de andere kant van het eiland was. De lieverds zeiden dat we er heen gingen lopen, in de verzengende hitte. En jawel, daar was het! Het kleine parkje met op de punt van het eiland mon arbre. Het parkje is nog exact zoals in 1975 toen ik er met mijn ouders kwam en er de eerste foto bij de boom is gemaakt met ook mijn moeder.

Ik werd emotioneel ervan omdat ik nog precies weet wat er gebeurde in 1975. Op de grasveldjes in de parkjes lagen hippies (1975 hè) en ik denk dat ze een beetje aan het vrijen waren of iets met drugs of zo, want wij kinderen renden over de paadjes langs de grasveldjes en mijn moeder heeft iets gezegd in de trant dat ze zich niet op haar gemak voelde dat wij daar liepen en dat zouden zien, en ik weet nog dat mijn vader zei: "Daar letten die kinderen helemaal niet op", en dat was ook zo. Ik weet nu alleen nog hoe de situatie was, maar niet wat ze nu aan het doen waren. Toen is er bij die boom op het puntje van het eiland een foto gemaakt. Ik liep nu door het parkje langs de grasveldjes en heel even was het 1975 en maakte ik het bovenstaande mee, en ik zei in gedachten tegen mijn moeder; "Kijk mama ik ben weer in het parkje, weet je nog van toen". Het was fijn dat ik mijn zonnebril op had. Ik vond het ongelofelijk lief dat Robbie en Fernando begrepen dat dit voor mij iets belangrijks was. Ik zal het nu proberen te onthouden welke kant van het eiland het is, ik heb nu wat herkenningspunten in mijn gedachten opgeslagen. In 1998 was ik verliefd en heb toen niet zo heel erg opgelet.

Hierna zijn we weer gaan wandelen door de stad en heb ik ontdekt dat Parijs heel veel onverwachte leuke kleine hoekjes, plekjes en kleine openbare tuintjes heeft. Geïnspireerd door mijn bomenverhaal vond Robert dat zij ook een boom moesten hebben en die hebben ze gevonden. Ik vertelde wel dat het kiezen van een boom niet iets vrijblijvends is, dat het betekende dat bij elk bezoek aan Parijs de boom bezocht moet worden en op de foto gezet.

Robert wilde ons graag meenemen naar restaurant Derrière. De lange wandeling erheen was de moeite waard, mede door alles wat we onderweg tegen kwamen, maar zeker het restaurant zelf. Wat een fantastisch interieur en wat hebben we er zalig gegeten. Een aanrader voor iedereen die naar Parijs gaat. Het werd langzaamaan weer tijd om richting hotel te gaan want ik wilde zonder gehaast naar het vliegveld gaan. We hebben nog een afscheidsdrankje gedaan op het terras van de bar in het hotel, en dan krijg je toch dat beetje gekke toch al wat weemoedige gevoel van een mooie herinnering met elkaar gemaakt te hebben die gaat eindigen, partir c'est mourir un peu, en zo is het.

Mon arbre 

Robert en Fernando hebben nu ook een boom.

Restaurant Derrière. 


Reacties

Deze blogs zijn de afgelopen 30 dagen het meeste gelezen:

De Hond bijt zich vast

Pesten

Het verhaal van Kelly

Ik wil dat hebbáh

Oh